Instellingsplan 2012-2016, kernthema: onderwijs
HAN algemeen, HAN Instellingsplan 2012-2016 20 januari 2012Interview met Ron Bormans over het kernthema ‘onderwijs’. bron HANovatie
Hoe staat het met het niveau van het onderwijs bij de HAN?
‘Het beeld is divers. De helft van onze opleidingen doet het gemiddeld, ruim een kwart doet het uitstekend en iets minder dan een kwart presteert onder de maat. Het is natuurlijk afhankelijk van hoe je kijkt, maar ik baseer me nu maar even op de Keuzegids. Verreweg de meeste van onze masteropleidingen doen het fantastisch.
Onder de maat presteren moeten we niet meer accepteren. Als dat blijvend is, moeten we met die opleidingen stoppen. We hebben legio inspirerende voorbeelden in huis van uitstekende opleidingen, met enthousiaste docenten die met vakmanschap en werkplezier het beste uit hun studenten weten te halen. Medewerkers van opleidingen waar dat minder het geval is, kunnen en dienen zich hieraan op te trekken. De receptuur voor eersteklas opleidingen ligt gewoon voor hen klaar. En ongetwijfeld hebben ze daar zelf ook goede ideeën over.
Dat bij deze of gene opleiding het niveau nog te wensen overlaat, is op zich niet verwonderlijk. Zo zijn sommige opleidingen de laatste jaren erg snel gegroeid. Andere speelt parten dat het beroepsbeeld enigszins ambigu is geworden. Er zijn opleidingen die wat achterlopen met vernieuwen. Weer andere zijn misschien wat al te intensief vernieuwd zonder dat we de praktische consequenties daarvan geheel hebben doorzien enzovoort.’
Wat gaat er de komende jaren veranderen in de inhoud en inrichting van het onderwijs bij de HAN?
‘Heel veel veranderen aan het concept hoeft niet. We prediken variëteit en willen niet vanaf deze plek voorschrijven hoe het onderwijs eruit moet zien. Couleur locale is ons adagium, binnen een beperkt aantal kaders, zoals we die in het Onderwijs- en Examenreglement hebben opgenomen. Laten we het binnen dat bestek gewoon beter doen. Dat wil niet zeggen dat er verder niets moet gebeuren.
Opleidingen zullen we, daar waar nodig, voorzien van meer structuur, contacturen en studie-intensiteit. Een van de lessen uit het HOF-project is dat we studenten proactief moeten helpen om zich verantwoordelijk te voelen voor de eigen studie. Ik zeg het altijd zo: dat studenten zelf verantwoordelijkheid dragen, mag je (bij 17-jarigen) niet als vanzelf aanwezig beschouwen; een goede begeleiding daarbij hoort bij onze pedagogische opdracht.
Ten tweede zullen we de toetsings- en beoordelingssystematiek op een hoger plan brengen. Toetsen en beoordelingen behoren betekenisvol en betrouwbaar inzicht te geven in wat studenten kunnen en kennen. Maar het gaat hierbij net zo goed om vragen als: snappen jonge mensen voldoende wat wij van hen vragen? Is het onderwijs voldoende gestructureerd? Onlangs is er een analyse gemaakt van onze accreditaties in de afgelopen 10 jaar, met een interessante uitkomst. Ruwweg scoren we in driekwart van de gevallen goed (of incidenteel zelfs excellent) en in een kwart van de gevallen voldoende. Maar op het onderdeel toetsen en beoordelen is het beeld exact andersom: één kwart is goed, driekwart is voldoende. Klaarblijkelijk hebben we dat nog niet genoeg in de vingers. Dat vergt én krijgt de komende periode gerichte aandacht.
Er zijn opleidingen die de handschoen gaan oppakken en zullen proberen het studieklimaat uitdagender, dwingender en ambitieuzer te maken. De een doet dat door de opleiding meer kleinschalig te organiseren, de ander schroeft de normen op (60 European Credits als norm voor Bindend Negatief Studie Advies) en een volgende scherpt de begeleiding aan. Veel kan, weinig moet, als we het niveau maar weten op te schroeven, uiteraard steeds met inachtneming van alle relevante wet- en regelgeving.
Tot slot blijft het curriculum grotendeels intact, met één belangrijke uitzondering: we zullen studenten meer onderzoeksvaardigheden meegeven. Dit vanuit de ambitie om jonge professionals af te leveren die hun vak verstaan, kunnen reflecteren op dat vak en het van binnenuit kunnen vernieuwen en verbeteren.’
Wat wordt ‘wegens succes geprolongeerd’?
‘Een van de pijlers waarop ik mijn optimisme voor de toekomst baseer, is het feit dat ik dagelijks constateer dat we uitstekende mensen aan boord hebben. Accreditaties, onderzoeken naar de studententevredenheid en rapporten van visitatiecommissies bevestigen dat beeld. Aan die mensen hebben wij goede werknemers, en voor die mensen hopen en menen wij omgekeerd een goede werkgever te zijn.
Daar komt bij dat we de afgelopen jaren onze beroepsgerichte identiteit al danig hebben versterkt in onze opleidingen, met name door met beroepstaken te werken en het onderwijs veel meer te organiseren rondom de concrete gang van zaken in de beroepspraktijk.
Ten derde hebben we de laatste jaren ontdekt dat je er niet bent met een mooi curriculum en prima docenten; ook de organisatie van het onderwijs moet goed in elkaar steken en op hoog niveau zijn. Daar zijn we inmiddels beter in. Toch zijn er nog te veel plekken bij de HAN waar we prachtige programma’s hebben die maar matig uit de verf komen doordat we al dat fraais weinig trefzeker uitvoeren. Het is als bij een boeiend theaterstuk in een wat rommelig decor. Je zult vast te spreken zijn over de prestatie, maar minder over de presentatie. Toch is ook dit weer een reden voor optimisme. Je hebt immers pas echt een probleem zodra de verpakking oogstrelend is, maar de inhoud tegenvalt. Wat dat betreft kunnen we met een gerust hart de toekomst tegemoet treden: aan de inhoud schort het als regel niet bij ons, integendeel. Laten we daarom de organisatie daarvan op hetzelfde peil brengen. Niet voor niets krijgt operational excellence zoveel aandacht in het nieuwe instellingsplan. De uitvoeringskwaliteit maakt intrinsiek deel uit van de totale kwaliteit.
Daarnaast snappen we inmiddels beter hoe om te gaan met de schaalkwestie. We zijn in 10 jaar tijd gegroeid van 17.000 naar 30.000 studenten; de bouwvakkers bleven maar lokalen bijbouwen. Die groei managen is een gigantisch karwei geweest. De kunst is nu om binnen die enorme schaal kleinschalige settings te organiseren. Dat sluit naadloos aan op de couleur locale-gedachte, waarbinnen decentrale identiteit en lokale onderwijsgemeenschappen worden bevorderd. De HAN wordt, meer dan nu, een huis van overzichtelijke, lokale gemeenschappen, waar studenten en docenten zich senang voelen, elkaar kennen en elkaar weten te vinden. Iedereen dient het gevoel te hebben opgenomen te zijn in een leergemeenschap, en niet in een anonieme entiteit – waarbij die gemeenschap bij de pabo vanzelfsprekend een andere vorm en kleur aanneemt dan bij accountancy, autotechniek of bij mondzorgkunde. Communities binnen een grotere community, dat is het huis van de toekomst. Communities waarin we van elkaar leren, open voor elkaar staan, er voor elkaar zijn en elkaar stimuleren om beter te worden.’
Hoe gaat onderwijs zich verhouden tot onderzoek?
‘We willen professionals opleiden die hun vak verstaan en dat vak kunnen doorontwikkelen. Dan moeten we ze ook het gereedschap daartoe meegeven, lees: onderzoeksvaardigheden. Hoe anders kan een fysiotherapeut een knieaandoening benchmarken met 10 andere knieaandoeningen? Hoe anders kan een sociaal-agoog meten of zijn evidenced-based interventies zoden aan de dijk hebben gezet? Het grote voordeel van de verrijking van het curriculum met deze onderzoekscomponent is dat het over de hele linie niveauverhogend werkt. Studenten worden er betere beroepsbeoefenaren van. En docenten groeien mee, want alleen zo kunnen zij hun studenten werkelijk op weg helpen.‘
In het nieuwe instellingsplan staat dat studenten in hoge mate zelf verantwoordelijk zijn voor hun studiesucces. Hoe krijgt dit in de praktijk vorm?
‘Beginnende studenten dien je genoeg houvast te bieden; gaande de studie kun je dan toenemend een appèl doen op de eigen verantwoordelijkheid. Dit werkt echter alleen als we glashelder weten te maken wat we exact van hen verwachten. Ook dat hoort bij onze pedagogisch-didactische opdracht en bij het leertraject.
Niet alleen de student is overigens verantwoordelijk voor zijn studie. Wie jonge mensen vraagt om meer en meer zelf aan het roer te staan, moet hen wel leren hoe dat moet en wat daarbij komt kijken. Iemand wordt niet bij toverslag een ondernemende en onderzoekende professional op het moment dat hij een diploma in de hand gedrukt krijgt. Dat is een geleidelijk proces van steeds zelfstandiger te werk leren gaan, onder goede begeleiding.
Het oogt als een paradox, maar is dat niet: het appèl op eigen verantwoordelijkheid leidt tot intensievere begeleiding, om die student te leren zijn eigen verantwoordelijkheid waar te maken. Dat is onze verantwoordelijkheid. Deze maken wij waar door studenten te bevragen en uit te dagen, door het voor te doen of uit te leggen en door ze de juiste attitude mee te geven; met inzet van ons hele repertoire aan onderwijskundige tools en technieken.’
Hoe borgen we toekomstig de kwaliteit van ons onderwijs?
‘Laten we zelf kritisch kijken hoe het beter kan en ons voordeel doen met bijvoorbeeld de bevindingen uit studenttevredenheidsonderzoeken. We weten bij al die opleidingen die wat minder presteren, wat ons te doen staat. Laten we het nu ook doen. Studenten hebben recht op opleidingen die minimaal van een gemiddeld niveau zijn. Opleidingen die daar langdurig niet aan voldoen, moeten we niet in ons assortiment willen hebben.
Eén ding is nu al volkomen duidelijk: de toetsing en beoordeling moeten beter, zoals reeds opgemerkt. Al was het maar omdat het in de accreditering een zogeheten knock-out-criterium is. Geen voldoende op dit onderdeel betekent geen accreditering. Weet bovendien dat de toezichthoudende instanties hun criteria en kaders alleen nog maar zullen aanscherpen. Dat past bij de trend dat wij, net zoals andere spelers in de publieke ruimte, meer en meer onder het maatschappelijk vergrootglas komen te liggen. Juist uit kwaliteitsoptiek krijgen toetsing en beoordeling nu en toekomstig zoveel aandacht. We hebben er alle belang bij om dit op orde te krijgen en te houden.
Verder: kwaliteit wordt ook geborgd doordat we leren verschillen tussen studenten te honoreren. Om te beginnen het verschil tussen voltijd en deeltijd. Het deeltijdonderwijs heeft veel te veel last van het feit dat eigenlijk het voltijdse onderwijs de norm, het uitgangspunt is. Dat is natuurlijk gek. Een van de testcases voor de komende jaren is of we het deeltijdonderwijs een eigenstandige plek kunnen geven, ontworpen en verzorgd vanuit de specifieke eisen van die categorie studenten. Slagen we daar niet in, dan moeten we goed erover nadenken of we het deeltijdonderwijs wel in de bestaande breedte willen blijven aanbieden.
Tot besluit: alles wat wij doen, moet goed zijn. Bovendien moet het toetsbaar en transparant zijn, en consistent met alle in- en externe regelgeving. Kwaliteit omvat letterlijk alles, van de inhoud tot de procedure, en van de organisatiestructuur tot het community-gevoel. Die kwaliteit krijgen we alleen als elke medewerker van de HAN-gemeenschap zich hiertoe aangesproken voelt en zich hiervoor inspant, individueel èn in gezamenlijkheid.’
We willen graag een levendige discussie op gang brengen over de koers die de HAN in de ko-mende jaren gaat varen. Reacties op de 6 interviews met het CvB zijn daarom zeer welkom! Reageren kan via de HANovatiesite onderaan dit artikel. Medewerkers kunnen ook rechtstreeks mailen naar ons, reageren via hun leidinggevende of het thema in gesprek brengen binnen de eigen opleiding of het instituut. Vanaf maandag 16 januari gaan Ron Bormans en Kristel Baele ook op yammer met medewerkers in gesprek. Wil je mee doen maak dan een account aan op yammer.com met je HAN-e-mailadres.
Aansluitend op de interviewcyclus zullen Ron Bormans en Kristel Baele in HANovatie ingaan op de diverse bijdragen van lezers.
(interview Hans Wanningen)
